Mijn motto

Steen voor steen, straat voor straat

"There is much work to do, and we all know what needs to be done. So let us get up early and stay late and get that work done."

(Kathy, David Eggers, Zeitoun)

"Er is veel werk te doen en we weten allemaal wat er moet gebeuren. Het enige wat erop zit is aan de slag te gaan. Laten we dus vroeg opstaan en laat opblijven en steen voor steen en straat voor straat het werk afmaken."


(vertaling Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap)

Profiel

Energienetwerken en energieconcepten

Tony SchoenOvalen Tafel is Tony Schoen. Adviseur met een technische achtergrond, die gaat voor een betrouwbare en betaalbare energievoorziening. Meer dan 20 jaar ervaring, opgedaan bij verschillende organisaties, in diverse rollen: als adviseur, als afdelingshoofd, als interimmer.

Brede expertise – van zonne-energie en warmtedistributie tot de administratieve processen van de netbeheerder. Heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van zonnestroom in Nederland. Maar heeft ook stedelijke warmtenetwerken doorgerekend in Zaanstad, Tilburg en Den Haag. En is verantwoordelijk geweest voor de klantenzaken van netbeheerder Stedin.

Ambitie: ontwikkeling en realisatie van energieconcepten die bedrijfseconomisch zinvol zijn, met zoveel mogelijk inzet van duurzame energie.

Voorbeelden? Uitleg? Kijk eens bij de referenties of neem contact met me op.

 
Overpeinzingen

Steek eens een lichtje op

Onlangs raakte ik met A. in gesprek over energiemaatregelen die je zelf kunt nemen. Ik wees hem op mijn blog over zonnepanelen versus zonnecollectoren. Als je kinderen in de groei zijn, neem dan collectoren, gaan ze bijna het huis uit, dan kun je beter panelen kopen. Maar, voordat je energie van de zon gaat benutten, kun je – conform de Trias Energetica – nóg beter eerst energie besparen. En het meest voor de hand liggende, laaghangende fruit, is de verlichting. De beste investering die je kunt doen, is het vervangen van je halogeenspots door leds. Zo betoogde ik.

k ben dus maar eens gaan inventariseren hoe dat bij mijzelf in huis zit. Ik ben alle kamers een langs gegaan, en heb geturfd hoeveel halogeenlampen ik in huis heb. Dat viel eigenlijk wel mee, ik heb ze alleen in de woonkamer en keuken. Vervolgens heb ik per lamp het aantal branduren en de resulterende energiekosten ingeschat. En dit is wat ik vond:

Halogeenspots

Mijn halogeenlampen slurpen dus gewoon 20% van mijn totale energierekening op.

Vervolgens ben ik wat gaan experimenteren met LED-lampen. Ik heb een GU10 inbouwspot getest met verschillende LED-lampen. Het beste presteerde een 4W lamp van Philips, met een mooie kleur en een goede helderheid. Op basis van deze ervaring heb ik eens voor alle lampen uitgerekend wat het me zou kosten om ze energiezuinig te maken, en wat de terugverdientijd is. En zie hier het resultaat:

Ledlampen

De LED’s verdien ik dus gewoon vijf kwartalen terug. Daar kunnen zonnepanelen nog niet aan tippen. Meteen dus maar besloten om voor elke lampsoort een LED-lamp te bestellen, om te kijken of ze echt passen en goed licht opleveren. Als het bevalt, wordt de hele bups vervangen, hoor!

 

Lean on me

De afgelopen weken kwam het woord “Lean” opvallend vaak bij mij langs.

et begon als buzz-word bij NPSP Composieten. De productie moest “Lean”. Dat betekende vooral “de dingen in één keer goed doen”, “eerst een product afmaken voordat je aan de volgende begint, dan kun je de fouten eruit krijgen”, “ieder proces kan door twee personen gedaan worden, iedere persoon beheerst twee processen”. In de praktijk was er niet veel van te merken, behalve dat er regelmatig gezegd werd dat iets “niet Lean” was.

Vervolgens meldde vriend T. dat hij bezig was met een leergang “Lean in de zorg” en daar erg enthousiast over was. Hij raadde mij een boek aan, “The Lean Manager” van de gebroeders Ballé. Het boek gaat over de toepassing van “Lean” in productiebedrijven, en lijkt een beetje op “Het Doel” van Goldratt. Bedrijf in zwaar weer, manager door superieuren voor het blok gezet, verbeteren of sluiten, en met een coach / goeroe de problemen te boven komen.
Tenslotte werd het woord “Lean” door kennis A., die ik ken van het RedPeppers netwerk, genoemd in het kader van reorganisaties bij de gemeente Utrecht. Ambtenaren moesten “Lean” gaan werken. Dat klonk vooral als “mager”, alle vet ervan af, taakvernauwing, focus op meetbare doelen. 12 minuten voor het afhandelen van een paspoortaanvraag, de volgende klant wacht alweer.

foto van een ongebakken speklap met vetrand

Op deze manier is Lean niet veel meer dan alle andere management methoden van de laatste jaren, zoals “competentiegericht”, “outputsturing” of “SMART”. Tot op de minuut vastgelegde takttijden in de productie, alles rapporteren en maximale procesbeheersing. In control.

Terwijl de boeken me vooral geleerd hebben dat het om de professionals draait, de medewerkers die direct verantwoordelijk zijn voor het primaire proces. Lean is níet het tot op het bot afslanken van de kerntaken. Voor zover er sprake is van afslanken, dan vooral de ondersteunende taken. Zo moet één van de de managers bij Ballé zijn gehele kwaliteitscontrole team ontslaan. Kwaliteit wordt niet geleverd door je kwaliteitsafdeling, maar door je primaire proces.

Lean is níet grip op je organisatie krijgen door méér controle en meer toezicht, Lean is vertrouwen schenken aan het primaire proces. Minder rapportages, dus, in plaats van meer. Mensen verantwoordelijk maken voor hun eigen resultaten. Ze zelf aan de slag laten gaan met organisatieverbeteringen. Resultaten direct zichtbaar maken en delen met elkaar. Lean is volgens mij loslaten.
Maar niet laten vallen.

 

De waarde van het werkoverleg

Op LinkedIn kwam ik een leuk artikel tegen over het fenomeen werkoverleggen. Ik citeer.

rofessor Willem F. Bontekaas heeft aan een groot aantal medewerkers een vijftig tal vragen voorgelegd over hun relatie met hun lijnmanager. Uit hun antwoorden wordt geconcludeerd dat een ruime meerderheid van de medewerkers de frequentie van het werkoverleg prima vindt. Meer dan 80% zegt maandelijks of vaker een teamoverleg te hebben, en bijna driekwart vindt die frequentie goed. 13% vindt de frequentie (veel) te laag.

Bontekaas heeft een experiment gedaan door bij een team de frequentie van het teamoverleg te veranderen van tweewekelijks naar maandelijks. Na een jaar werd aan de medewerkers gevraagd “Wat is de frequentie van uw teamoverleg?” en “Wat vindt u van die frequentie?”. Tot zijn stomme verbazing bleek nog steeds 80% van de medewerkers te denken dat zij een tweewekelijks teamoverleg hadden. En meer dan 90% vond de frequentie (meer dan) voldoende. Navraag bij de individuele medewerkers leerde dat:
1. De meeste medewerkers heel vaak een teamoverleg niet bijwoonden vanwege drukke werkzaamheden, klantbezoek, ziekte, vakantie, of gewoon vergeten. Nu de frequentie terug gebracht was naar maandelijks dachten ze gewoon dat ze die van twee weken daarvoor gemist hadden.
2. Dat meer dan 90% van de medewerkers zei tevreden te zijn met de frequentie werd ingegeven door de vrees dat, indien men zou zeggen dat men ontevreden was, het teamoverleg frequenter gehouden zou gaan worden. En daar hadden zij toch écht helemaal geen behoefte aan!

Einde citaat.

Mijn persoonlijke ervaringen onderschrijven deze conclusies. Het hébben van een (inhoudelijk goed) teamoverleg is belangrijker dan de frequentie. Pas de frequentie aan, als je het gevoel krijgt dat er weinig zinvolle informatie wordt uitgewisseld. Bedenk overigens dat een werkoverleg ook een middel kan zijn om elkaar te leren kennen zonder dat er veel zaken op de agenda staan, zeker in de beginfase van een team. En bedenk ook dat er altijd teamleden zullen zijn die het teamoverleg niet zinvol, te vaak, te lang, onzin, zullen vinden.

Dilbert strip on team  meeting

Iets ander dat ik geleerd heb, is het belang van regelmaat. In één van mijn functies kon je er vergif op nemen dat er met het teamoverleg werd geschoven, want de manager had andere afspraken. Of hij moest naar de directeur, of naar een andere divisie, een stuurgroep meeting, of een externe hotemetotenbijeenkomst. Altijd wel wat.
Dodelijk. Je team is je belangrijkste gereedschap om je doelen te realiseren. Mijn leidinggevende liet met zijn gedrag zien, alles belangrijker te vinden dan zijn team. Ik voelde me geminacht, en werd op geen enkele manier gemotiveerd om hard te lopen voor mijn baas.

In een andere situatie werd het teamoverleg op steeds wisselende momenten gehouden, de ene week op dinsdagochtend, en de volgende week op woensdagmiddag. Dit kan slim lijken in situaties waarin veel teamleden parttime werken, maar mijn ervaring is dat het ertoe leidt dat er continu onduidelijkheid is. “Wanneer was dat overleg weer? ‘s ochtend, ‘s middags? Vandaag, morgen? Ik hou het niet meer bij”. Gevolg: mensen haken af, hebben dubbele afspraken in hun agenda, bereiden het werkoverleg niet goed voor. Veel ruis op de lijn, kortom.

Mijn advies sinds deze ervaringen: hou het teamoverleg wekelijks of veertiendaags, op een vast tijdstip. En alles mag verzet worden, maar niet het teamoverleg.

 

Over de Circulaire Economie, tomaten en chemicaliën

Ik was begin oktober op een seminar over duurzaam grondstoffengebruik, georganiseerd door de TU Delft. Een heel interessant programma, met als sluitstuk architect en inspirator Thomas Rau, over de Circulaire Economie. De hoeveelheid grondstoffen is eindig, er komt niets meer bij. Grondstoffen worden schaars, we kunnen het ons niet veroorloven om oude producten op een stortplaats in de aarde weg te laten zakken, of in afvalovens te verbranden. Rau nodigde ons uit tot radicaal omdenken overproductie en gebruik.

“Het idee dat producten eigendom zijn van consumenten is niet meer van deze tijd. Ik ben als consument alleen geïnteresseerd in de prestatie van een product, niet in het bezitten daarvan. Voldoende licht, comfortabel zitten, mooi beeld en geluid, daar gaat het om. Voortaan gaan we consumeren op basis van de prestatie van producten”, aldus Rau.

roducenten mogen grondstoffen tijdelijk opslaan in hun producten. De stoffen zijn niet van hen. De producent verkoopt zijn product vervolgens ook niet aan de klant, hij verkoopt de dienst. Bijvoorbeeld “licht”, in plaats van gloeilampen. Interessante gedachte. Als de dienst niet meer nodig is, haalt de producent het product terug, bevrijdt de grondstoffen weer uit het product en bergt ze in andere producten weer op.

een plaatje  van zes tomaten aan een trosMaar hoe zit het met tomaten?, zo vroeg een deelnemer in de zaal. Of met verpakkingen?, voeg ik er aan toe. Het karton en de schuimblokken om de koelkast, dat begrijp ik wel. Die gaan terug naar de fabriek, dat doet de bezorger nu al. Maar het cellofaantje om de boterhamworst? En het ijsbakje? Mag ik dat nog wel houden om te gebruiken voor m’n kliekjes? Kliekjesopslag is een andere dienst dan ijsbewaring. En wat als ik het cellofaantje nou kapot scheur? Ben ik dan aansprakelijk, moet ik ervoor betalen? Nee, de circulaire economie is me voor consumptiegoederen te ver weg.

Voor andere, verrassende producten is het wel al een bruikbaar principe. Zo leerde ik dat er al chemicaliën worden “uitgeleend”. Metaalbedrijf Magna Steyr koopt geen ontvettingsmiddelen meer, maar de dienst “ontvetting”. De chemieleverancier levert en recyclet de benodigde chemicaliën. Het aardige is natuurlijk, dat er nu geen tegenstrijdige belangen zijn om enerzijds zo veel mogelijk stoffen te verkopen, tegenover het belang anderzijds zo min mogelijk in te kopen. Beide partijen gaan nu samen de dienst optimaliseren, en dat kan er best toe leiden dat er minder stoffen worden gebruikt.

Het is een interessant model, dat er wél om vraagt dat je de dienst kunt kwantificeren. Je moet weten hoeveel van de dienst je afneemt, en je moet ook goed omschrijven waar de dienst aan moet voldoen. Wel oppassen dat dit niet tot veel papierschuiverij en bureaucratie leidt, dan wordt het nooit efficiënt. Verder moet je durven samenwerken, en als producent moet je het aandurven om je leverancier in de keuken laten kijken.
Helemaal nieuw is het overigens niet. Zo huurde ik in 1985 als student al een telefoon met een los antwoordapparaat van KPN. Hij bleef eigendom van KPN. Ik weet alleen niet meer zeker of ik de spullen weer ingeleverd heb, volgens mij is alles na een paar jaar op een grote hoop verdwenen, zand erover. Dat zou nu dus anders moeten gebeuren. Inzamelen, hergebruiken.

Waarom afval produceren als het toch wordt weggegooid?Voor veel dingen die ik koop, geldt ten slotte dat ik ze gewoon lekker wil blijven kopen, en niet een of andere dienst. Dus gewoon een pond mooie rode tomaten aan ‘n tros, en niet de dienst “smaakbeleving tomatensmaak”, want voor je het weet krijg je een obscuur pilletje geleverd, vol met smaakbeleving. Het oog wil ook wat, tenslotte.

Terug naar de essentie. Grondstoffen worden schaars. Het zou fijn zijn als producten een “materialenpaspoort” krijgen, waarin precies staat wat de samenstelling is en hoe de afzonderlijke stoffen er weer uit te halen zijn. En het zou ook goed zijn als er een plicht – of urgentie – ontstaat voor producenten om hun producten weer terugnemen, eventueel via een afvalbedrijf à la Ganzewinkel, om de grondstoffen te hergebruiken. Dat moet toch niet al te lastig te organiseren zijn? Aan het slag dus maar.

 

Verkiezingen, Europa, en de Randstad.

Eigenlijk heeft Geert Wilders ergens wel een punt. Óf je bent hartstochtelijk Europeaan, gepassioneerd vechtend voor Europese integratie en samenwerking, óf je bekijkt Europa door een technocratische bril, in welk geval je je inderdaad af mag vragen: waarom lid blijven?

ou geloof ik toevallig wél in de Europese gedachte. We hebben een gemeenschappelijke cultuur, een sociale cohesie en een historie die het de moeite waard maakt om samen op te gaan. United We Stand, zeg maar. Piazza del CampoAls ik op de Piazza del Campo in Siena sta, dan denk ik “dat hebben wij Europeanen maar mooi voor elkaar gekregen”. Niks “Hun Italië, ons Nederland”. WIJ, EUROPEANEN.

Helaas is er geen partij die het met passie voor Europa opneemt. Allemaal vervallen ze in technocratisch gebabbel als “samen de bankensector aanpakken”, “we verdienen aan Europa”, en ga zo maar door. Ik denk niet dat dit de juiste argumenten zijn om een Ausstieg te voorkomen. We kunnen best de bankensector aanpakken vanuit een autonoom Nederland, samen met 15, 23 of hoeveel andere landen dan ook. En als we uitstappen, kunnen we nog steeds verdienen aan onze buurlanden.

Maar, laten we nou de uitstap even verder doortrekken. Waarom zou er eigenlijk wel een gemeenschappelijk Nederland moeten zijn? Ik woon in Utrecht. De huizenprijzen zijn er relatief hoog, ze dalen niet zo erg, de werkloosheid is er niet het hoogste van het land, het inkomen is bovengemiddeld. Laten we dit nu eens vergelijken met De Provincie: Limburg, Zeeland, Groningen, Drenthe.
Het CBS (zeer doelmatig gevestigd in Den Haag en Heerlen) geeft me de volgende cijfers:

macro-economische kentallen van de verschillende provincies

macro-economische kentallen voor de verschillende provincies (bron: CBS Statline)

Een hele cijferbrij. De gegevens van CBS vertellen me, dat ik vanuit Utrecht ieder jaar bijna € 20.000,= meer bijdraag aan de Nederlandse welvaart dan zus Anne, die in Maastricht werkt.

Qua werkloosheid lijkt het wel erg mee te vallen. De regionale verschillen zijn niet zo groot. Maar kijk eens naar het percentage uitkeringsgerechtigden. Dit percentage is in Limburg en Groningen 50% hoger dan in Utrecht. Betaal ik eigenlijk al jaren niet voor de werklozen, bijstandstrekkers en arbeidsongeschikten van het platteland? Mijn belastingcenten worden meer dan bovengemiddeld gebruikt voor wegen, onderwijzers en verpleegsters in de buitengewesten. Waarom eigenlijk? Kunnen ze daar hun eigen broek niet ophouden?

Wat knutselen met Excel leidt tot de volgende grafiek:
Saldo overheidsbestedingen per hoofd van de bevolking In Utrecht dragen we per saldo bijna € 5.000,= per jaar bij aan de overheid, dat is dus ná aftrek van alle bestedingen van de overheid in Utrecht zelf. In de provinciale landstreken is het saldo meer dan € 6.000,= per jaar negatief. Inwoners van deze provincies maken dus veel meer op, dan waar ze op grond van hun bijdrage aan de BV Nederland recht op hebben.

Ik heb ook eens naar wat meer specifieke regionale cijfers gezocht, bijvoorbeeld voor de regio Eindhoven. In het technische hart van Nederland, Brainport, werken ruim 20 duizend Limburgers. Tegelijkertijd kent het stadsgewest Eindhoven meer dan tienduizend werkzoekenden. Zijn hun banen niet eigenlijk gewoon ingepikt door Limburgse forenzen, terwijl WIJ wel voor HUN voorzieningen en uitkeringen opdraaien?

Ik stel daarom voor dat we, als we toch uit de EU stappen, meteen door pakken en een grootstedelijke Randstad-plus regio gaan vormen. Hiermee voorkomen we dat onze welvaart weglekt naar de buitenregio’s van Nederland, gebieden waar ze nét wat minder verantwoordelijkheidsgevoel hebben dan wij. Wat meer van het leven genieten, zeg maar. Maar daarvoor wel de centen van de hardwerkende Randstedelingen gebruiken.

Dat een stedelijke regio succesvol kan zijn, laten andere, zeer welvarende stadsregio’s zien: Singapore, Monaco, Liechtenstein. Laten we ons aan deze landen spiegelen, en hun voorbeeld volgen. Tegen de gevestigde orde zeggen we dan gewoon:

hún Europa, júllie Nederland, ónze Randstad!

 

Leve de zon!

Afgelopen jaar rondde ik met een team van New-Energy-Works de Roadmap Energieopslag Zuid-Nederland af. Onlangs mocht ik hierover een presentatie houden in de Wijk van Morgen, de duurzame experimenteerwijk van Hogeschool Zuyd. Tijdens deze presentatie verkondigde ik de stelling “het is gemakkelijker om zonlicht in warmte om te zetten, dan in elektriciteit”.

Na afloop dacht ik: eens kijken of dat ook voor mij thuis geldt. Bij deze, dus.

Optie één: warm water uit zonlicht

aat ik om te beginnen eens de zonneboiler doorrekenen. Volgens verschillende websites kost een zonneboiler anno 2012 tussen de € 2.500,= en 5.000,=, inclusief BTW. Nou scheelt het wel of je ook een nieuwe verwarmingsketel nodig hebt. De mijne is al geschikt voor een zonneboiler (vooruitziende blik in 2003?), dus laat ik eens aan de onderkant van de prijs gaan zitten: ik koop een zonneboiler voor € 2.500,=.
Uiteraard heeft de zonneboiler onderhoud nodig. Bij Gas Service Utrecht kost een onderhoudscontract voor de zonneboiler € 4,11 per maand. Daarnaast moet ik rekening houden met wat reparatiekosten, laten we zeggen € 300,= voor wat grote reparaties, bijvoorbeeld over 10 jaar.

En wat levert ‘t op? Een algemene vuistregel is: 50% van je gasverbruik voor warm water. Met drie pubers heb ik een hoog verbruik: 250 liter water van 60°C per dag. Als ik de helft hiervan kan besparen, scheelt dat per jaar zo’n 280 m³ op mijn gasverbruik. Om een goede cashflowberekening te maken, moet ik uiteraard wel rekening houden met veranderingen in mijn huishouden. Mijn kinderen gaan over 3 tot 7 jaar het huis uit, en dat zal een forse verlaging van het warmwaterverbruik betekenen. Aan de andere kant zouden we tegen die tijd ook wel een hotfill wasmachine aan kunnen gaan schaffen, zeker als we een zonneboiler hebben. Dat compenseert weer wat in het verbruik.

Een andere belangrijke factor in de besparingsberekening is de gasprijs. Op dit moment betaal ik zo’n 55 cent per m³ voor het geleverde gas. Dat is inclusief belastingen, maar exclusief kosten voor mijn aansluiting. Wat gaat de gasprijs doen, de komende jaren? Dat is natuurlijk koffiedik kijken, alles wijst erop dat de energieprijzen flink gaan stijgen, maar “behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”.

Voor de zekerheid heb ik maar even de database van het CBS geraadpleegd. In het grafiekje hiernaast staan de energieprijsontwikkelingen sinds 1996, voor zowel elektriciteit als gas. Duidelijk is te zien dat we in 2011 ongeveer 2,5 keer zoveel voor energie betaalden als in 1996. Dit komt overeen met een gemiddelde jaarlijkse gasprijsstijging over de afgelopen 15 jaar van 7% per jaar. Voor elektriciteit was die prijsstijging 6,5% per jaar.

Voor mijn zonneboiler komt het hele financiële plaatje er voor de komende 15 jaar als volgt uit te zien:
Na 15 jaar heb ik in totaal € 3.500,= uitgegeven, en € 2.500,= bespaard op mijn gasrekening. De zonneboiler is niet rendabel, en dat komt vooral omdat mijn warmwaterverbruik de komende jaren af gaat nemen.
Ter vergelijking heb ik ook de inkomsten berekend in het geval dat mijn kinderen het huis niet verlaten, en het warmwaterverbruik dus hoog blijft. En zie: in 2025 heb ik nét iets meer bespaard dan dat ik heb uitgegeven.

Optie twee: zonnepanelen op het dak

Laten we dit nou eens vergelijken met het zonnepaneel. Mijn huis heeft een schuin dak aan twee kanten (oost en west), en ik heb een dakkapel. Daarop kunnen een aantal panelen mooi naar het zuiden worden geplaatst. Een setje van 3 panelen van 235 Watt-piek moet wel lukken. Bij ENECO betaal ik hier € 2.319,= voor, als ik ze zelf installeer. Overigens zou het heel goed kunnen dat de BTW op de zonnepanelen naar 6% gaat. Dat zou dan ongeveer € 200,= schelen op de aanschaf.

Aan onderhoud ben ik niet zoveel kwijt, laten we zeggen € 10,= per jaar voor het schoonmaken van de panelen en wat kleine reparaties. Wel hou ik voor de zekerheid rekening met het vervangen van de omvormer, na 10 jaar. Ik verwacht dat dit ongeveer € 400,= gaat kosten.

Ik zou ook een groot systeem kunnen kopen bij de Sunnshop. Zij bieden een systeem aan van 3.920 Watt-piek, voor 7.699,= (en dus misschien wel meteen BTW-voordeel van € 750,=). Dat is per Wp aanzienlijk voordeliger dan de ENECO-set, maar ik kan de panelen niet op het zuiden plaatsen, dus ze leveren iets minder op. Onderhoudskosten zijn natuurlijk iets hoger dan bij het kleine systeem, en de vervanging van de omvormer na 10 jaar gaat me ongeveer € 1.600,= kosten.

En wat leveren deze systemen op? Het kleine systeem, op het zuiden, zal zo’n 850 kWh/kWp op kunnen leveren, oftewel voor de drie panelen samen ongeveer 600 kWh per jaar. Het grote systeem zal beduidend minder efficiënt zijn, omdat de panelen niet op het zuiden liggen. De instralingsschijf die we ooit bij Ecofys ontwikkeld hebben, laat mooi zien wat het opbrengstverlies is. Ik reken op 20% verlies. De opbrengst is dan nog maar 680 kWh/kWp. Het systeem van 3.920 Wp levert per jaar dus 2.650 kWh op. Dat is meer dan ik nu verbruik, en als de kinderen uit huis gaan, ga ik er van uit dat ik dit wel op mijn elektriciteitsrekening kan blijven besparen.

De cashflow voor beide opties wordt als volgt:

En zie: de zonnepanelen verdien ik in 10 tot 13 jaar terug. Daarna blijven ze natuurlijk doorproduceren, en ga ik goed geld verdienen. Over 15 jaar heb ik met het grote systeem al € 6.000,= verdiend, op een investering van een kleine € 8.000,=. Dat is een rendement van 7%, meer dan ik bij de bank krijg. Daarvoor moet ik het systeem natuurlijk wel 15 jaar aan de praat houden, maar tenzij ik verhuis lijkt me dat geen probleem.

Conclusie: mijn stelling “liever warmte uit zonlicht dan elektriciteit” is fout. Voor mij als particulier, ten minste. En met zonnepanelen kun je als particulier een aardig rendement maken. Zegt het voort, zegt het voort!

 

Over het woord Duurzaam

In de NRC van 23 maart las ik een column van Jacco Kroon over de kracht van het woord “duurzaam”.

“Duurzaamheid
straalt geen innovatieve kracht uit,
maar ‘we sukkelen voort op een
acceptabel onderhoudsniveau’. “

Hij heeft hebt helemaal gelijk. Duurzaam klinkt lijzig.
Een softe “z” ingebed tussen twee lange, zeurderige dubbele klinkers, omlijst door twee vage medeklinkers. Sustainable is van een vergelijkbare lijzigheid, in mijn oren althans.

aar wat geeft het eigenlijk? Hoe flitsend klinken de woorden “boekhouder”, “inburgering”, “eurozone”? Toch gebruiken we deze woorden wel, als het nodig is, in zakelijke gesprekken en in krantenartikelen. Niet in reclameteksten. Dat geldt wat mij betreft dus ook voor het woord “duurzaam”. Goed bruikbaar, maar niet onderscheidend in de markt. En dat hoeft ook niet.

Diensten en producten worden verkocht door te voldoen aan de behoeften van je klanten. Er zijn klanten die niks om *duurzaamheid* geven, die moet je er dus niet mee lastig vallen. Die klanten komen bij je om de prijs, de kwaliteit, of om specifieke functionaliteiten die je kunt bieden. Onderscheid je dan ook met prijs, kwaliteit of door het bieden van de unieke, onderscheidende, functionaliteiten. Dat je duurzaam bent: alleen maar goed voor jezelf, want het zorgt ervoor dat je – ook op lange termijn – kunt blijven ondernemen. Dat hoeven je klanten, en je concurrenten, niet te weten, toch? Waarschijnlijk vinden je aandeelhouders, medewerkers en toeleveranciers het overigens wel nuttige informatie.

Aan de andere kant zijn er die klanten die wél belang hechten aan de duurzaamheid van je producten of diensten. Daarvoor zijn er vele keurmerken, labels en termen voor handen om je product mee te omschrijven: eco, groen, fsc, c2c, demeter, msc, breeam, biobased – afhankelijk van de markt waarin je zit. Kies wat past bij je product, zorg voor betrouwbare, onafhankelijke controle en voilà, ook deze markt kun je bedienen. Zonder het woord duurzaam te gebruiken, want, inderdaad, het bekt niet lekker en is niet onderscheidend genoeg in de markt.

Het begrip *duurzaamheid* is eigenlijk een meta-begrip, dat alleen goed bruikbaar is in de zakelijke markt, of in columns, door bedrijven en instituten die óver duurzaamheid nadenken. Denk aan begrippen als “opleiding duurzaam bouwen”, ” duurzaam adviesbureau”, “duurzaamheidsindex”. Prima begrippen, die een goede eerste indruk achterlaten. Hiervoor hoef ik geen andere term – alhoewel ik de Zuid-Afrikaanse variant “volhoudbaarheid” ook wel aardig vind. “Volhoudbaar ondernemen”, mooi begrip. Volhoudbaar bouwen klinkt aan de andere kant voor geen meter. Er moet ook af en toe gesloopt kunnen worden.

 

Over Cradle to Cradle, kringlopen en keizerlijke gedachten

Onlangs was ik bij een seminar “Cradle to Cradle” van de Universiteit Enschede. Een leerzame bijeenkomst.

et concept Cradle to Cradle, afgekort C2C, is zo’n tien jaar geleden ontwikkeld door oud-Greenpeace actievoerder Michael Braungart samen met de Amerikaanse architect William McDonough. Tegenwoordig treden ze gescheiden op – McDonough in de VS, Braungart in Europa. Het concept richt zich vooral op materialen en stoffen, niet zo gek gezien de chemische achtergrond van Braungart. Onderwerpen als energie, broeikaseffect of biodiversiteit spelen geen centrale rol, het begrip “sustainability” wordt niet gehanteerd.

Centraal staat de kringloopgedachte. Materialen en producten zitten in kringlopen. Hetzij in een picture showing the two cycles of the Cradle 2 Cradle principle: the biocycle and the technocyclebiologische kringloop waarbij de stoffen via ecosystemen rondcirkelen, hetzij in technologische kringlopen waarbij de producten gemaakt, gebruikt, afgedankt, gescheiden en hergebruikt worden. Door slim te ontwerpen moeten we nieuwe producten bedenken die eco-effectief zijn – lees: positief bijdragen aan onze ecosystemen, en stoppen met de verduurzamingsmaatregelen die nu genomen worden, en die alleen maar eco-efficiënt zijn, dus onze ecosystemen iets minder schade berokkenen.

C2C bevat verstandige elementen voor een goede bedrijfsvoering. “Afval is voedsel”, zo luidt één van de principes – door Ganzewinkel vertaald in “afval bestaat niet”. Er is een toenemende druk op grondstoffen, met bijbehorende oplopende prijzen. Het belang voor hergebruik neemt alleen maar toe. Bovendien laat je met C2C als bedrijf zien dat je de volledige verantwoordelijkheid neemt voor het door jou ontworpen en gemaakte product. Oftewel het product zit in de biologische kringloop, en dan mag de gebruiker het na gebruik gewoon terug aan de natuur geven, óf het product zit in de technologische kringloop, en dan neem je als producent het product terug voor hergebruik.
Zo levert Desso tapijt met het label “C2C”. Dit tapijt wordt na gebruik ingezameld, uiteengerafeld en klaar gestoomd voor gebruik in nieuwe tapijten. Niks mis mee, lijkt me. En het sluit ook nog eens goed aan bij het ” afval = verspilling” principe uit de Lean-methodiek voor gezonde bedrijfsvoering. Weet hoeveel afval je produceert, en weet hoe effectief je werkt.

Voortaan ga ik C2C vertalen in een eenvoudige vraag voor iedereen die zegt “C2C” te werken: wat gebeurt er met je producten aan het einde van de gebruiksfase – mogen ze terug de natuur in, of zorg je dat ze weer bij je terugkomen? Iedereen die hier een goed antwoord op heeft, krijgt mijn steun.

Zo, dat was een mooie les van het seminar. Helaas niet de enige.

C2C is in Enschede één en al mist en ongrijpbaarheid. Er hangt een sfeer van religie, met Michael als voorganger. C2C stoelt op “paradigma’s”, zo vertelt Tanja Scheelhase van de Universiteit Enschede. Ze laat het klinken als “geloofsprincipes”. Er wordt tijdens het seminar geen concrete informatie gegeven, er wordt door niemand verwezen naar normen waar producten, of stoffen aan moeten voldoen. Sterker nog, milieuclassificatiesystemen als LCA en EPD staan haaks op C2C, volgens de presentatie van Katja Hansen, verbonden aan de Rotterdam School of Management. Als ik het goed begrijp, kun je een C2C-label krijgen als je product “de potentie heeft in de toekomst eco-effectief te zijn”. Het is me overigens niet duidelijk wie bepaalt of iets eco-effectief is. De plastic soup is dat overduidelijk niet, zo begrijp ik uit de afkeurende woorden van Braungart hierover, net zo min als het verbranden van afval in energiecentrales, zo stelt C2C onderzoeker Diana den Held van de Rotterdam School of Management.

Commercieel directeur Alexander Collot d’Escury van Desso geeft een mooie verkooppresentatie, inclusief de bekende Airmaster-reclame. Hij zegt niets over het proces om tot C2C te komen, niets over de feitelijke criteria waaraan voldaan wordt. Welke stoffen zitten er in het tapijt? Welke niet? Welke bedrijfsprocessen zijn veranderd? Wat betekent het voor de logistieke processen? De medewerkers? We komen het niet te weten.

C2C wordt door Braungart consequent voorzien van een ®, het is een beschermd merk. Zowel hij als Katja Hansen en Tanja Scheelhase zijn verbonden aan EPEA, voor zover ik begrijp het enige adviesbureau in Europa dat, zonder openbare standaarden, een product mag voorzien van een C2C-label.

En in de wandelgangen hoor ik over C2C gebouwen, een C2C-gecertificeerd schildersbedrijf (komt die de verf weer van mijn kozijnen afschrapen als ik er van af wil?), C2C-gebiedsontwikkeling. In welke kringloop zit die gebiedsontwikkeling dan, de biologische of de technologische? Gaan we het héle gebied teruggeven aan de makers?

Het blijft allemaal erg mistig. De zaal vindt het ondertussen allemaal even mooi, we gaan allemaal C2C ontwerpen vanaf nu. Volgens mij kijken we met z’n allen naar de nieuwe kleren van de keizer. Ik ga maar gewoon aan de slag met mijn ene vraag voor iedereen die MVO, duurzaam, C2C of wat dan ook pretendeert te zijn. Ik ben benieuwd naar de antwoorden.

Een week later bezocht ik overigens de ESEF 2012, dé vakbeurs voor de Nederlandse maaksector. Ik heb welgeteld één bedrijf gezien dat iets vertelde over het hergebruiken van afval uit de productieketen. Niemand had het over C2C. Alle bedrijven lijken de verantwoordelijkheid voor hun producten over te dragen aan de klant. Ook als die er aan het eind van de levensduur niks meer mee kan.

 

Over MVO-officers

aatschappelijk verantwoord ondernemen is niet iets wat je “erbij” doet, naast het andere, niet-maatschappelijk of on-verantwoord ondernemen. Een MVO-officer is dus ook niet iets voor “erbij”, naast al het andere. Als je MVO een belangrijk uitgangspunt vindt, zal je gehele onderneming maatschappelijk verantwoord moeten zijn, iedere manager en medewerker zal aan het MVO-en moeten.

Maar dit betekent niet dat je geen specialist in huis kunt halen om je te helpen om je gehele onderneming door te akkeren en bij te sturen / scherp te houden. Net zoals je een financieel specialist inhuurt om je financiële planning en rapportage op orde te houden. Deze specialist noemen we: de controller.

Dus: MVO-officers kunnen nuttig zijn, maar zet ze niet “naast” je kernorganisatie, en ook niet als “eindverantwoordelijke MVO-beleid” oid, maar als specialist, die al je maatschappelijk-verantwoord-ondernemende managers en medewerkers van dienst kan zijn.

 

Over waardecreatie

Op www.multiraedt.nl las ik een interessante blog over hoe bedrijven zich voor kunnen bereiden op het eventueel uit de hand lopen van de huidige eurocrisis. De blog zette me aan het denken over de huidige krediet bubbel, en hoe daar weer uit te komen.

e bubbel doet me denken aan een verhaal van nobelprijswinnaar Isaac Bashevis Singer, waarin twee marktkooplui de hele dag elkaar borrels verkopen van één gevonden kopeke. Aan het eind van de dag hebben ze beiden een geweldige omzet, zijn stomdronken, maar nog steeds helemaal blut.

Deze waardecreatie is niet erg duurzaam, niet blijvend. Om waarde te creëren, kun je niet eindeloos diensten verkopen / kopen in een gesloten kringetje. Je zult altijd zaken van buiten het systeem “goedkoop” naar binnen moeten halen of producten of diensten buiten je systeem moeten afzetten. Dat geldt voor twee marktkooplui, een bedrijf (dat niet kan overleven op louter interne dienstverlening) maar ook voor een land.
Maar hoe zit dat dan op wereldschaal? De wereldbol kan naar mijn mening alleen waardevoller worden met behulp van dingen die er aan toegevoegd worden, of door dingen te exporteren. Aangezien we nog geen buitenaardse klanten hebben, zullen we uiteindelijk alleen kunnen groeien door voorraden schijnbare waardeloze grondstoffen waarde te geven, en als we deze voorraden uitgeput hebben moeten we overschakelen op het enige dat aan het systeem wordt toegevoegd – de zon = energie, biomassa, koolwaterstoffen, kunststoffen, etc.
Naar mijn mening zullen we dus, ook in Europa, terug moeten naar een meer reële economie van primaire en secundaire productie, gewoon spullen maken die we nodig hebben om in leven te blijven, voedsel, kleding, mobiele telefoons. Met de opbrengsten van dit soort primaire producten zullen we dan onze collectieve lening af moeten lossen.
Maatregelen van bedrijven om economisch zwaar weer op te vangen, zouden mijns inziens dan ook gericht moeten zijn op een heroriëntatie van bedrijfsactiviteiten in de richting van de reële economie.